Biobrandstoffen zijn brandstoffen die zijn gemaakt uit plantaardig materiaal. Ze vormen een alternatief voor fossiele brandstoffen, bijvoorbeeld in het verkeer of als gas in het aardgasnetwerk. Nederland heeft het doel gesteld dat in 2020, 20 procent van de brandstof in het verkeer uit duurzame bronnen komt. Biobrandstoffen vormen hier een belangrijk onderdeel van.

Biobrandstof uit voedselgewassen

Biobrandstoffen worden onderverdeeld in verschillende types. De zogenaamde eerste generatie biobrandstoffen zijn gemaakt met behulp van voedselgewassen, zoals maïs, suikerriet en koolzaad, die zich met vergisting relatief makkelijk laten omzetten tot brandstof. Deze eerste generatie biobrandstoffen werden lange tijd gezien als duurzame energiebron. Bij de productie nemen de gewassen namelijk CO2 op uit de lucht. Dit is evenveel als dat er vrijkomt bij het verbranden van de biobrandstoffen. Zo wordt er netto geen extra CO2 uitgestoten, het CO2 wordt als het ware hergebruikt.

De laatste jaren is er veel kritiek op de eerste generatie biobrandstoffen. De gebruikte gewassen leveren namelijk relatief weinig klimaatwinst op. Dit komt voornamelijk door het kappen van natuurgebieden voor landbouwgrond. Hier komt veel CO2 bij vrij wat juist weer bijdraagt aan klimaatverandering. Ook gaat dit ten koste van de biodiversiteit. Bovendien kan door concurrentie van biobrandstofgewassen met voedselgewassen de voedselvoorraad in gevaar komen.

Biobrandstoffen uit plantenresten en algen

Bij tweede generatie biobrandstoffen zijn deze problemen minder groot. Dit komt omdat er producten worden gebruikt die wij zelf niet eten. Zo worden bijvoorbeeld plantenresten uit de landbouw en uit bossen gebruikt. Bij de derde generatie biobrandstoffen, die zich nog vooral in de ontwikkelingsfase bevinden, worden algen en zeewier gebruikt. Omdat deze in de zee worden geproduceerd hoeft er geen landbouwgrond vrijgemaakt te worden en is er meer land beschikbaar voor voedselproductie. Deze generatie is dus nog duurzamer.