Kijk ook met een maatschappelijke bril naar de wetenschappelijke onzekerheden in het IPCC-rapport, aldus Sible Schöne in zijn column voor Energiepodium.

Het is evident dat het nieuwe IPCC-rapport moet leiden tot een aanscherping van het klimaatbeleid. De conclusies dat de waargenomen temperatuurstijging van inmiddels 1,2°C graden geheel aan menselijke beïnvloeding wordt toegeschreven en dat de 1,5°C. temperatuurstijging over circa tien jaar wordt bereikt, een decennium eerder dan verwacht, laten niets aan duidelijkheid te wensen over.

Maar er is veel meer te zeggen over het rapport. Een van de belangrijkste kwaliteiten van het IPCC is dat het ook nadrukkelijk aandacht besteedt aan de vele wetenschappelijke onzekerheden die er zijn. Het is in mijn ogen belangrijk hier goed naar te kijken, maar dan met een maatschappelijke bril. Dan hebben we het niet over onzekerheden, maar over risico’s die we lopen. Laat ik er een paar punten uitlichten, die me bij de eerste snelle lezing meteen opvielen.

“Eén meter zeespiegelstijging kunnen we prima aan, was de boodschap”

Een eerste voorbeeld van een wetenschappelijke onzekerheid is de conclusie dat de opwarming deels wordt gemaskeerd (met 0°C tot 0,8°C) door de koelende werking van aerosolen (kleine zwevende stofdeeltjes). Met name de hoge schatting verschilt fors van de eerdere schatting die ik ken van het KNMI. Die bedroeg 0,1°C tot 0,3°C. Deze luchtvervuiling wordt met name veroorzaakt door het gebruik van fossiele brandstoffen en in de armste delen van de wereld door de 2.5 miljard mensen die biomassa gebruiken voor koken en verwarming. Het is logisch dat deze luchtvervuiling gaat afnemen als we het klimaatprobleem gaan aanpakken en het gebruik van fossiele brandstoffen terugdringen. En hopelijk maakt de wereld ook vorderingen met armoedebestrijding. Het zou dus zomaar kunnen dat we te maken krijgen met een extra opwarming van een paar tiende graad. Dat betekent in feite dat het resterende koolstofbudget voor 1,5°C niet 400 gigaton CO₂ is (met 67% zekerheid), maar ongeveer nul.

Dan de zeespiegelstijging. De verwachte mondiaal gemiddelde zeespiegelstijging is ten opzichte van het vorige IPCC-rapport toegenomen. In een scenario met weinig broeikasgasuitstoot is dit 28 tot 55 centimeter en bij veel uitstoot is dit 63 tot 101 centimeter in 2100, ten opzichte van 1995-2014. Overschrijding van 2 meter zeespiegelstijging in 2100 en 5 meter in 2150 kan niet worden uitgesloten als het Zuidpoolijs versneld smelt. Tot mijn verbazing was de reactie uit de waterwereld op deze cijfers vooral geruststellend: Eén meter zeespiegelstijging kunnen we prima aan, was de boodschap. Dat is op zichzelf juist, maar het gaat voorbij aan het echte probleem, dat de zeespiegelstijging ook na 2100 doorgaat, ook als we de temperatuurstijging beperkt houden tot ongeveer 1.5°C. Het is wat dat betreft goed nog even 2015 in herinnering te roepen. De WMO publiceerde in dat jaar een grafiek die duidelijk maakte dat de laatste twee keer dat de CO2-concentratie in de atmosfeer rond de 400 ppm lag - ongeveer 3 miljoen jaar en ongeveer 5 miljoen jaar geleden – de zeespiegel 10 – 20 meter hoger lag dan nu. In 2015 was dat een belangrijk argument voor aanscherping van de doelstelling.

“Het is belangrijk dat in aanvulling op de gestelde doelen aandacht komt voor negatieve emissies”

Cruciaal is het tempo van de zeespiegelstijging. Deze bedroeg volgens het IPCC tussen 1901 en 1971 1,3 mm per jaar, tussen 1971 en 2006 1,9 mm per jaar en tussen 2006 en 2018 3,7 mm/jaar. Als we eind deze eeuw daadwerkelijk uitkomen op een meter of meer, krijgen we te maken met een jaarlijkse stijging van meerdere centimeters per jaar, die bovendien nog eeuwen doorgaat. Stel dat dat 5 centimeter is, dan begrijpt toch iedereen dat tegen die tijd niemand meer een huis gaat kopen in Amsterdam of Friesland. En dan heb ik het nog niet over de volstrekte ontwrichting die een dergelijke zeespiegelstijging mondiaal gaat veroorzaken.

Het IPCC-rapport wijst voor het eerst ook het risico op het overschrijden van bepaalde fysische drempelwaarden in het klimaatsysteem, met abrupte en onomkeerbare klimaatveranderingen tot gevolg. Voorbeelden hiervan zijn het (al genoemde) smelten van delen van de Zuidpool en Groenland, de verdwijning van zee-ijs op de Noordpool, de verdwijning van koraalriffen, het smelten van toendra’s, het afsterven van delen van de Amazone, het stilvallen van de warme Golfstroom en veranderingen in de moesson. De eerste vier van deze kantelpunten zijn al deels zichtbaar. Voor al deze kantelpunten gelden vergelijkbare risicoanalyses, nog afgezien van de gevolgen van deze kantelpunten voor de uitstoot van broeikasgassen en de albedo van de aarde.

Foto boomstammen bos

"CO2 uit de lucht halen: nodig voor de Parijs doelstellingen en realistisch op korte termijn"

Rolf Schuttenhelm schreef voor Vrij Nederland een verontrustend artikel over de gevolgen van de zeespiegelstijging voor Nederland.

Lees het artikel hier

Deze punten betekenen in mijn ogen dat we er rekening mee moeten houden dat we nog verder terug moeten dan 1,5°C, die overeenkomt met de huidige CO2-concentratie van iets boven de 400 ppm. Er moet eerder worden gedacht aan 350 ppm. Het is wat mij betreft daarbij niet zinvol om een nieuwe discussie te voeren over de bestaande doelstellingen in het klimaatbeleid, 55% in 2030 en 100% in 2050 en de voorstellen van de Europese Commissie om deze te halen. Laat het kabinet hier zo snel mogelijk mee aan de slag gaan. Het is wel belangrijk dat in aanvulling daarop echt aandacht moet komen voor negatieve emissies. Deze zijn nu al op grote schaal nodig om de doelstelling van 1.5°C te halen, voor een dergelijke aangescherpte doelstelling is dat uiteraard helemaal het geval.

Sible Schone is adviseur bij HIER. Dit artikel verscheen eerder als column op de website van Energiepodium